Deze trieste dagen van juni. Deze voordagen van de
zomer die nooit begint. Deze wilnietdagen van het zwevende gemoed. Deze
trolleytramdagen.
Deze trieste dagen van juni, waarin het mij
onmogelijk is langer dan een schaarse minuut te wentelen in de vergissing dat
ik iets te zeggen heb over mijn tijd.
Deze trieste dagen van juni heeft de tijd het voor
het zeggen. Overduidelijk is het deze trieste dagen van juni dat de tijd het
voor het zeggen heeft.
In de pijn van het sterven verwerf je de dood. Terwijl jij nog ademde was het niet te
stoppen proces al in volle gang. Deze dagen (6 jaar later) registreer ik
pas wat ik 6 jaar geleden voelde.
6 jaar geleden heb ik het sterfverdriet van mijn
Allerliefste verdrongen. En daardoor was ik er (6 jaar geleden) voor haar
niet zoals ik er had kunnen zijn. En ook de 6 jaar daarna heb ik het
sterfverdriet van mijn Allerliefste verdrongen. En oh Schat, wat spijt mij dat.
Vergeef mij.
Jij hebt mij al vergeven. Zo nobel ben jij.
Ik heb jou
alleen gelaten in jouw verdriet, waarbij mijn verdriet verbleekt. Jij alleen in
jouw onherroepelijke verdriet.
Vergeef mij. Jij hebt mij al vergeven. Vandaag (deze datum), de 6de keer dat jij hier naast mij ligt over te gaan naar de dood.
De schat, die mijn schat is, is mijn schat. De
schat, die mijn schat is, sterft naast mij als zij sterft en sterft zij niet
naast mij dan sterft zij in mij. Haar schitterende stilte vult mij met tranen.
Haar schitterende stilte vult mij met ontzag.
Ik zit bij haar, omdat zij dit wil. Mijn hele
aanwezigheid éen lach. Voor haar die klaar is met het leven, voor haar met wie
het leven klaar is.
6 jaar geleden (deze datum) riep ik je en riep ik je, met een lied, waarvan ik, hoewel het
nu (6 jaar later) nog in mij echoot, de woorden en de melodie niet kan
herhalen. De wetenschap wil mij doen geloven dat jij mij niet meer kon horen (een paar uur voor jouw laatste uitademing) maar ik weet wel beter.
Nu (6 jaar
later) kan ik terughoren en terugvoelen, dat het lied een passagelied was. Dat
ik je niet riep maar dat ik, zonder dat dit mijn intentie was, met dit lied
jouw passage begeleidde.
Wat een
schitterende stilte om jou heen Schat. En hoewel ik deze eerder wel aangekund
had en later ook, verkeerde ik tijdens jouw laatste levensweken in een lichte
staat van ontreddering, kan ik nu (6 jaar later) herkennen en erkennen.
Ontreddering die zich verkleedde als levendigheid; afleiding die mij misleidde,
kan ik nu (6 jaar later) herkennen en bekennen.
Moet toch wat,
moet toch wat, was mijn mantra voor ik jou ontmoette. En ook lang nog (geef ik
toe) flikkerde deze op sinds ik jou ontmoette. En dan tijdens die laatste
weken van jouw leven.
Terwijl toch
sinds ik jou ken ik word verwend met een volheid die alle moeten uitsluit,
behalve het moeten van jou steeds weer als nieuw tegen te komen en als nieuw te
begroeten.
Deze (jouw
6de) dooddatum ga ik frontaler aan wat ik 6 jaar geleden liet gaan, toen ik de
kennis die op een ongeformuleerd niveau duidelijk in mij aanwezig was niet
onderkende, toen ik mij verloor in een mist van wereldse condities die de mijne
niet waren en de jouwe zeker niet. En of mij dit spijt Schat, of mij dit spijt.
Jij-dood
vraagt van mij een andere toewijding dan jij-levend van mij vroeg. Jij-dood
bent continu jijst en jijst kan men in het leven enkel in momenten zijn. Ja
Schat, ik versta je, in het dagelijkse gedoe heeft de tijd het voor het zeggen.
Ik noteerde al
éen van de dagen van de 13 van het 6de jaar, dat jouw leven niet jij bent en
dat jij niet jouw leven bent. Ja Schat, ik versta je.
Alleraller-verrukkelijkste, alles in mij is trouw, in liefde bij jou.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten