Verder zijn er de seringendagen, wanneer ik
uitnodigingen verzend voor een feestelijke bijeenkomst van mensen die elkaar
niet eerder in levende lijve ontmoet hebben. De seringen-dagen zijn uiterst
zeldzaam; op twee vingers te tellen.
En dan, ook in een andere orde, liggen de
glimlachdagen. Wanneer de glimlach de stille tranen uit mijn ogen trekt en de
zachte zuchten uit mijn borst waardoor de kleur in mijn hoofd verschiet van
donkergrijs naar eigeel waardoor mijn spieren zich strekken waardoor ik ga
gapen waardoor de stille tranen simpel oogvocht worden, dat zich (in
tegenstelling tot de tranen) gemakkelijk door mijn hand laat wegvegen. Zodat
een glimlachdag onlosmakelijk verbonden is met een lavendeldag, want o wat is
dat prettig, je van top tot teen wassen met lavendelzeep.
Met Cara Colette breng ik veel uren door op straat.
Op straat vind ik het niet gezellig. Als ik al eens bij een café door het raam
kijk, kan ik de indruk krijgen dat binnen de mensen het gezellig hebben met
elkaar. Maar ik wil er niet tussen zitten. Een paar minuten rondhangen bij de
ingang is voor mij haalbaar. Op de stoep aan de overkant, zo'n vijf meter
ervandaan.
Dans ik, dan liever op de Chinese dan op de Europese
manier. Zonder tamtam dus. Wat een geweld dikwijls in die ritmes. Meer
marcheren dan lopen. Meer bonken dan rollen. Daar moet je niet voor bij mij zijn.
Ik dans vanuit mijn voeten en vanuit mijn buik. Niet vanuit mijn rug. Als ik
dans beweeg ik liever mijn nek, armen en handen.
Mijn benen gebruik ik als ik loop. En dit doe ik bij
voorkeur buiten. In dienst van Cara Colette.
Alle verschijnselen zijn sfeeroverschrijdend. Zowel
de gegevens van de dood als die van het leven zijn er in tegenwoordig. Bij
sommigen helt het gewicht over naar de gegevens van het leven. Bij sommigen
naar die van de dood. In mijn geval is er sprake van het laatste.
Waar ik het voor het kiezen heb communiceer ik
liever met de dood zelf dan dat ik het afval van de dood consumeer. Wanneer ik
mij blootstel aan verschijnselen als regen, wind of sneeuw onderga ik levensnoodzakelijke
prikkels. Hoe heftiger de regen en hoe ruiger de wind, hoe liever het mij is.
Door iemand als ik, die zonder ooit een blijk van
genegenheid te krijgen opgroeide, kon liefde pas beleefd worden toen de
onmogelijk-heid om liefde te herkennen weggeëbd was. Deze onmogelijkheid kon
wegebben omdat ik bloot-gestaan had aan de liefde van Cara Colette, die present was
en die sterker was dan mijn obses-sieve hongers. Aan haar blijken van liefde
voor mij. En ook aan mijn liefdegevoelens voor haar.
De obsessieve hongers bedienen zich van de noemer
liefde, maar zijn er enkel op uit de smerige gerechten te blijven proeven waar
ze mee vertrouwd zijn. Dit heeft voor nogal wat verwarringen gezorgd in mijn
oriënterende periode.
Ook van belang bij het intomen van die hongers is
geweest dat ik mij ermee verzoend heb. Dit heb ik pas gekund nadat ik wees
geworden ben. Pas nadat allebei mijn ouders overleden waren, heb ik mij er voor
eens en voor altijd van kunnen doordringen dat mijn kinderhand voor eens en
voor altijd ongevuld zou blijven.
Bij de afspeellijsten zitten er sowieso verschillende
die Cara Colette echt niet kan appreciëren. Bijna alles wat Afrikaans is
bijvoorbeeld. Afrikaans ten zuiden van de Sahara en ten oosten van Senegal en
Mali. Op koramuziek uit Mali en op alle Arabische muziek is Cara Colette dol.
Klassiek dan, niet de hedendaagse filmmuziek. En dit geldt ook voor Indiaas.
Een raga gaat er altijd in. Een avond-raga 's ochtends: geen probleem. Graag met
een stokje patchoeli. Want ik mag dol zijn op Lata, Cara Colette heeft liever
een ghazel. Heeft een regelrechte ontvangst voor een expressie die mij iets te
verheven is. Voor Caribische klanken weer niet. Of voor Mexicaanse, Cubaanse of
Colombiaanse klanken. En ook jazz hoef ik niet op te zetten om Cara Colette een
plezier te doen.
In mijn directe kring wil ik niet bedacht hoeven
zijn op vibraties die mij vreemd zijn. Maar het is nogal eens gebleken dat ik
dit verkeerd inschat. Vandaar dat ik voor in mijn eigen huis een aantal
dagelijkse houvasten ontwikkeld heb. Als bescherming. Ik verwacht niet langer,
dat wie met mij leven ook voort-durend in harmonie met mij zijn. Routines zijn
duidelijk. In hun eenduidigheid. Acceptabel als sociale extenties van mij. Mijn
routine laat mij ook genoeg tijd waarin ik vrijaf heb van deze extensies. En
iedere dag minstens éen tijdspanne helemaal niets. Wisselend in duur. Maar lang
genoeg om op adem te komen.
Cara Colette kan ik hoe dan ook in mijn fysieke
nabijheid hebben. Cara Colette is in al haar gegevens een sterkere natuur dan
ik, maar in geen van mijn gegevens hoef ik mij tegen Cara Colette te
beschermen. Cara Colette behandelt mij goed en ik behandel Cara Colette goed.
Daarnaast heeft Cara Colette een grotere en continuere gevoeligheid voor mij
dan enig ander organisme in mijn omgeving. Het is zelfs zo dat wanneer door een
stoorinvloed die ik niet af heb kunnen weren al mijn wereldse benul vervlogen
is, de nabijheid van Cara Colette doorslaggevend is.
Toen er laatst in het pand naast het mijne een geboorte
plaatsvond was er zo'n spanning in de lucht dat ik de hele middag met Cara
Colette op de divan gelegen heb. De linkerkant van mijn romp en mijn linker
ledematen voelden aan als verlamd. Ik kreeg amper lucht en de verbinding met
mijn spieren was ik kwijt. Niet prettig, want dan ben ik ook de verbinding met
mijn geheugen kwijt. Maar door met Cara Colette daar zo te liggen zorgt zij
ervoor dat ik weer terecht kom in mijn aardse gegevens en dat ik voluit
terugkeer naar mijn culturele werkelijk-heid.
Als categorie is de mens een optelsom van
intelligenties, die verspreid zijn over alle mensen. Geen enkel individu
voldoet aan al deze kwaliteiten. Wat geen enkel individu tot een mens maakt.
Grapje.
Ik deel niet de obsessie van mijn cultuur om
intelligentie te becijferen. Alles wat leeft is intelligent. Niet iedere
intelligentie is hetzelfde, maar er is niet één intelligentie die niet
gelijkwaardig is aan iedere andere intelligentie.
Dan op de dag in kwestie vier ik de geboorte van
iedereen die op mijn dag geboord heeft. Dat vind ik eigenlijk een goede
combinatie van woorden: geboord hebben. Een individualiteit boort zich naar een aardse vorm en naar een
aardse omstandigheid. Dat is wat ik waargenomen heb. De dag dat de geboorte plaatsvindt
is de dag waarop de activiteit van het boren zijn beslag krijgt. Vanuit éen van
mijn natuurlijke gegevens beschouw ik mij verwant aan alle organismes die op
dezelfde datum als ik fysiek werden in het aardse.
Behalve dat ik binnen mijn directe sociale kring
langdurige relaties heb, ben ik in verschillende werkelijkheidssferen verbonden
met een aantal verwante organismes. Via mijn verschillende natuurlijke extenties.
Die per sfeer afgesteld staan op eenzelfde golflengte als ik. Is er sprake van
een relatie dan is er sprake van communicatie, of je wil of niet.
Ik zie het zo dat in de palmen van mijn handen de
schatkaart geëtst staat. De plaats waar ik mij het leven inboorde gaf mij mijn
naam en in deze naam werd het lot van mijn jeugd bezegeld. Zou je onbenoemd
zijn, enkel deel van de natuurlijke aardse orde, dan zou je vrij zijn. Je vorm
en je inhoud zouden samenvallen. Omdat je benoemd bent, deel dus ook van het
mensen-gebeuren, deel van een culturele aardse orde, is het zo goed als zeker
dat je strijd moet leveren om je vrijheid te heroveren. Want het dictaat van je
naam en het dictaat van je natuur vallen zelden samen. In de naam ligt de verwachting
in menselijke maat. Waar het kind zich in gaat voegen. Of tegen af gaat zetten.
Ik observeer ook mijn eigen gedrag, gedachten en
stemmingen. Maar dit is niet te vergelijken met de manier waarop ik
bijvoorbeeld een draad van wol, katoen of hennep kan bekijken. Een toewijding
waar mijn jongere versies jaloers op geweest zouden zijn. Zonder het te
beseffen. Nee mijn ikken en mijn zelven zijn nooit met een dergelijke
toewijding bekeken. Ook niet door een ander. Kan ook niet. Wat een ding met je
zintuigen en concentratie doet is fundamen-teel anders dan wat een organisme
ermee doet.
Observatie van een organisme leidt tot een relatie,
of je wil of niet. Tenzij je het organisme reduceert tot een gefixeerd object.
En dit maak ik vaak genoeg mee, dat ik gereduceerd word tot iemands
waanprojectie.
Wanneer een combinatie van organismes zich niet
actueel met elkaar verhoudt is uitwisseling onmogelijk. De dominantere natuur
vult dan het hier en nu met ongeruimd afval. Hier moeten zwakke aardse naturen
zoals ik voor oppassen, want aan ongeruimd afval kun je je niet vetvreten. Daar
kunnen enkel diegenen zich aan verlekkeren die verstrikt zitten in dezelfde
fixaties en projecties.
Ik ruim mijn eigen rotzooi. Daar keer ik mij niet
van af. En van de stront van Cara Colette en van de kat walg ik ook niet. Maar
van een ander mens verwacht ik dat die net als ik de eigen rotzooi opruimt.
Cara Colette is er dol op zich met de tram te laten
vervoeren. In buurten waar wij niet eerder waren, loopt Cara Colette op een
tram-halte af zodra zij er een ziet. Ik zie dat Cara Colette ziet en niet ruikt
bijvoorbeeld.
Voor wie fijn proeft: mijn ervaring is dat, behalve
dat Cara Colette concepten op mij overdraagt, zij ook concepten begrijpt die ik
aanreik. Eenvoudige en complexe. Eenmaal begrepen en benoemd herkent Cara
Colette later het woord dat staat voor de actie die wij eerder uitgebreid
doorgenomen hebben. Of beter nog, voor het gedachtengoed achter de actie.
Waardoor het op veel verschillende acties in allerlei verschillende
omstandigheden van toepassing wordt.
Neem een woord als coördineren. Cara Colette kent
dit woord niet. Wanneer ik het introduceer spreekt uit dit woord mijn evaluatie
van wat er tussen ons aan de hand is plus de verandering die door mij gewenst
wordt. Cara Colette her-kent de disharmonie, erkent dat er wat gedaan kan worden
aan haar concentratie op de situatie en doet meteen wat ik met coördineren
bedoel. Nu kent Cara Colette dit woord en van nu af aan kan ik het gebruiken in
iedere soortgelijke betekenis. Zolang ik zuiver blijf in het gebruik, blijft
Cara Colette mij het genoegen doen te coördineren wanneer ik er om vraag. Of
neem een woord als vergissing, een woord dat ons al voor veel misverstanden
behoed heeft. Als het gaat om actie geldt hiervoor alles wat voor coördineren
geldt, maar wat er bij komt is dat we het ook gebruiken in situaties die met
het gemoed te maken hebben.
Dat het geschreven woord een sterke werking op mijn
verbeelding heeft, heeft niets met autori-teitsgevoeligheid te maken. Een
natuurlijke autoriteit tegenkomen betekent voor mij vreugde en het kost mij
geen enkele moeite om deze te erkennen. Maar met geen enkele culturele of
maatschappelijke autoriteit heb ik iets op. Ik begrijp dat iemand die zich een
dergelijke autoriteit toeëigend zich serieus neemt op een manier die mij ten
ene male vreemd is. En ook dat zo iemand in hiërarchische verhoudingen gelooft
op een manier die mij ten ene male vreemd is.
Ik heb een paar van zulke sociale extenties waarmee
ik mij in verschillende culturele omgevingen staande kan houden. Omhulsels waar
ik hard op gewerkt heb. Maar het is wel oppas-sen dat ik niet in de gevarenzone
terechtkom. Dat ik buiten ben, niet binnen. Zoals ook binnen-niet-buiten niet
prettig is, is buiten-niet-binnen niet prettig. De geluiden vloeien samen,
sluiten mij uit.
Mijn omhulsels heb ik aangepast en getoetst aan
culturele omstandigheden waar ik hoe dan ook mee te maken krijg. Maar bevind ik
mij weleens op een drukbezochte lokatie die buiten mijn gewone loop ligt dan heb
ik zonder uitzondering de ervaring dat ik verstom. Bijvoorbeeld in een
treinstation. Waar ik zelden kom. En wat zeker niet mijn omgeving is. De
vibraties die er hangen includeren de mijne niet. Alsof alle aanwezige zenders
afgesteld staan op éen soort-gelijke golflengte. Terwijl de golflengtes waarop
ik sta afgesteld totaal weggedrukt worden. Ik kan mijn innerlijk niet meer
horen. Ik versta mijn verlangens en mijn behoeftes niet meer. Ik vergeet waarom
ik hier naartoe kwam. Voordat ik compleet verstijf en niet meer voor of
achteruit kan, krijg ik het nog net voor elkaar om mij naar de uitgang te
begeven. En om deze verdoving dan opgeheven te krijgen, moet ik een behoorlijke
poos uit deze vibraties weg zijn. Met Cara Colette op onze divan door-brengen.
Zodat ik weer enigszins aanspreekbaar word.
En ja, soms ook tref je van die mensen die zonder
blikken of blozen bezit nemen van jouw organisme. Van die mensen die geen
enkele grens tussen jou en mij herkennen. Simpelweg omdat ze zich er geen
voorstelling van kunnen maken hoe anders jou wel niet van mij kan zijn. Beroofd
zijn ze van iedere dierlijke fijngevoeligheid; éen brok gefixeerd aangeleerd
ego. Praat je met ze dan verstaan ze je niet, want je verstaan zou in de weg
staan dat ze kunnen doen wat ze doen. En dat is: te blijven teren op jouw organisme.
Dus dan zit er niet veel anders op dan zo iemand van je af te slaan. Wat ik
inmiddels dus ook al een stuk of wat keer zonder pardon met vaste hand heb
gedaan.
Niet dat egoloos het voor mij is. Zomin als
zelfloos. Of gedachteloos, of onthecht, of nog zo het een en ander wat al naar
gelang de cultuur gepredikt wordt als het na te streven doel. Ik zie dit niet
zo. Als mijn favoriete posities ervaar ik: binnen zijn door buiten te zijn en buiten
zijn door binnen te zijn.
In praktische zaken als wonen en eten kan ik mij
aanpassen. Maar niet zodra het om extra's gaat. Spaarrekeningen, verzekeringen
en vakantiekampen, om een paar van die extra's te benoemen. Dat ik dit niet
kan, is geen onwil. En ook geen obsessieve ontkenning. Doordat het mij aan
geloof in de functionaliteit ervan ontbreekt, functioneren deze instellingen
voor mij ook niet. Zoals ook veel overheidsinstel-lingen die bedoeld zijn om mij
het leven te veraangenamen. Er is zo goed als géen collec-tieve voorziening die iets
met mijn bestaan uit te staan heeft. De logica, die achter de ontwerpen ervan
zit, is niet gewoon de mijne. Of de esthetica.
Ik zou kunnen stellen dat het gezien mijn specifieke
natuur vaak misdadig is wat de cul-turele orde die de mijne is van mij verlangt.
Dat in termen van mijn natuur het culturele collectief waartoe ik behoor zich
georganiseerd heeft in een misdadig regime. Ik zou mijn natuur hebben moeten
corrumperen om in deze maatschappij tot de klasse van de bevoorrechten te
kunnen horen. Wat in deze maatschappij daaronder verstaan wordt. Aanzien, macht
en consumptie.
Het is mijn weten dat de zinnigheid van een hoop
regelgevende activiteiten en van een hoop geregelde resultaten verwerpt. Wat ik
met weten bedoel heeft een verbinding met het duurzame. Weten zijn informaties
die via je natuurlijke extenties doorkomen. Die tot inzichten leiden, waarmee
ik mij op deze aarde staande kan houden. En ik leef vanuit het inzicht dat wat
is is, omdat het zich aan de regelzucht van de mensheid onttrekt.
De rol te vervullen die je te spelen hebt, daar
draait het om. De aardse manifestatie te zijn, die je voorbestemd bent te zijn.
En hoe thuizer je bent in de metawerkelijkheden, hoe helderder je zicht op
welke jouw rol is. Zodat je je hierop kunt inrichten. En enige controle hebt
over hoe die rol zich voltrekt. Prettig of niet prettig. En daarmee enige
controle over je levensloop. Soepel of stug.
In harmonie met je levensloop te zijn. Hoewel
eigenlijk niet meer dan natuurlijk, is dit een voorrecht binnen het culturele
collectief dat het mijne is. Een voorrecht dat je voor elkaar moet zien te
krijgen. Daarom is het een grote luxe om contact te hebben met een
medeorganisme dat jouw rol ziet. Of op zijn minst een deel ervan. En helemaal
optimaal is om in contact te leven met een medeorganisme dat continu zó actueel
op jouw aanwezigheid anticipeert dat je de teugels kunt laten vieren. Omdat je
erop kunt vertrouwen dat je door de interactie met deze ander zodanig geïntegreerd
gehouden wordt, dat je continu de zin blijft voelen. In Cara Colette heb ik zo
iemand in mijn nabijheid.
Ik kan mij voorstellen dat ieder aardse manifestatie
een individueel tijdsbesef heeft. Voor iemand die tien jaar zal leven is éen
jaar eentiende deel van het leven. Voor iemand die tachtig jaar zal leven is
éen jaar eentachtig-ste deel. Dat moet op de een of andere manier in de
individuele klok gegrift staan.
En wat ik mij dan voorstel is dat de stervende geen
kalendertijd heeft, maar dat de stervende de doodtijd heeft. En dat deze voor
iedere stervende hetzelfde is. Dit is natuurlijke logica.
Cara Colette houdt er ook erg van een gedicht
voorgelezen te krijgen. Bepaalde gedichten kunnen niet vaak genoeg voorbij
komen. Ik ken er dan ook inmiddels flarden van uit mijn hoofd. Met Cara Colette
op een bank aan de gracht zittend kan ik ze reciteren. Overgave. Oren die bij
de beginregel rechtop gaan staan, ogen die mij aankijken en dan een nek die
ontspant. Maar ik moet niet proberen te impro-viseren; zodra ik maar éen woord
vervang door een ander geeft Cara Colette mij te kennen dat zij hier niet van
gediend is. En dan heb ik het wel over flarden van minimaal dertig woorden.
Het is een beetje extreem om te stellen dat mijn
favoriete dichtbundels door Cara Colette gekozen zijn, maar het is zeker zo dat
ze allemaal bij Cara Colette in de smaak vallen.
Het is zeker niet zo dat ik mijn smaak op Cara
Colette overdraag. Ik noemde al het uitbundige- en het meeblèrwerk. Een goed
voorbeeld is ook de radio. Af en toe komt er op de radio iets voorbij waarbij de
oren van Cara Colette even-eens rechtop gaan staan en het hoofd richting luidspreker
gedraaid wordt. De radio aan hebben staan valt voor mij niet onder de noemer
naar muziek luisteren. Ik heb de radio voorgepro-grammeerd op een aantal
klassieke zenders. Sowieso al zelden mijn smaak. Zodra het geluid buiten mijn
huis mij afleidt van wat ik aan het doen ben druk ik de ene knop na de andere
in en bij de uitzending die het minst indringend is hou ik halt. Geen van de
muziekstukken die Cara Colette kiest valt mij op voordat haar reactie mij erop
attendeert. Als ik de kans krijg de naam of de titel op te vangen noteer ik deze
en soms ga ik op zoek naar het cd-tje en koop het. Net als voor een ghazel heb
ik ook voor deze expressies niet echt een ontvangst, maar door ze geregeld voor
Cara Colette op te zetten realiseer ik mij wel dat ze mij goed doen.
Van sommige muziekstukken is het vaste gegeven de
componist, van andere degenen die het uitvoeren en van nog andere het
instrument waarmee het tot klinken gebracht wordt. Cara Colette maakt de
verbindingen. Ik hoor ze niet. Steeds word ik weer verrast. Zo heb ik nu inmiddels
wel door dat éen van de lievelings-componisten Sjostakovitsj is. Maar wordt deze
aangekondigd en kijk ik anticiperend dan is het niet per se dat Cara Colette
ook reageert. En net als ik op het punt sta mij ervan te over-tuigen dat ik ook
wel een grote neiging heb Cara Colette kwaliteiten toe te dichten die ik liever
niet hardop noem, wordt bij de afkondi-ging gezegd dat het hier een fragment
betrof dat door kenners beschouwd wordt als een van de mindere opdrachtstukken
van de componist.
Er zijn veel bundels die wij gelezen hebben, waar
Cara Colette niets aanvindt. Meestal geef ik haar gelijk. Er zijn ook bundels
die ik speciaal heb aangeschaft, nadat ik uit een bloemlezing een paar
gedichten van een gerenom-meerde naam ietwat plichtmatig tot klinken gebracht
had en de reactie van Cara Colette geen twijfel liet.
Met nogal wat uitzonderingen op de regel ben ik het
die in de praktijk van de cultuur ons pad baant en is het Cara Colette die in
het gebied van de natuur ons pad baant. Als categorie is menselijkheid een
cultureel omhulsel. In de natuurlijke staat besta ik als levend wezen. Zoals
Cara Colette. En als levende wezens herkennen wij elkaar.
Een gedicht kan stimulerend zijn. Voor het gestel,
de gedachte of het gemoed. Maar met name voor je overige gegevens. Je
natuurlijke extenties. Zo ook een schilderij, een liedje. En alle andere
poëzie. Dit is de noemer waaronder ik alle artistieke expressies laat vallen
die, omdat ze mede voortkomen uit de metagegevens van een organisme, daar ook
een appèl op doen bij een ander organisme. Gema-terialiseerde inspiraties, op
het nu en op het hier geënt. Wat iets anders is dan enkel maar expressie geven
aan de tijd en de plaats.
Zoals de wind expressie geeft aan het wind zijn. Nu
en hier een uitwisseling aangaan met deze wind is een uitwisseling aangaan met
een werkelijkheid die niet gebonden is aan de lineaire opvatting van tijd en
ruimte. Een uitwisseling bijvoorbeeld met de drieëenheid
verleden-heden-toekomst. Vrijheid.
Wat opgaat voor een organisme gaat niet per se op voor
een artistieke expressie. Ieder orga-nisme getuigt van kennis. Is een
manifestatie van een duurzame unieke individualiteit.
Het zinnige van ieder organisme is dat het altijd en overal de perfecte vorm is
van de kennis die gerepresenteerd wordt. Dit is schoonheid. De vlucht van deze
vogel is de expressie van haar unieke vogel zijn. En het geluid van deze
brekende golven is een expressie van deze zee. Vorm en inhoud zijn niet van
elkaar los te zien. En als dit even vanzelfsprekend voor een artistieke
expressie geldt dan noem ik die artistieke expressie poëzie.
Alles wat ik doe is ondergeschikt aan mijn streven
mij te verliezen in helderheid. Dit is wat ik mijn werk noem. Ik zie culturele
poëzie als een niet verklarende aanwezigheid van het onverklaarbare mysterie.
Gematerialiseerde inspiraties. Individueel. Een reflectie van een individu.
Door mijn handen te betasten. Met de vingers van de
ene hand de botten in de andere hand na te lopen. En zo het vlees eromheen –
zenuwen, aderen, spieren en meridianen – gescheiden te voelen van het skelet.
Wanneer ik dit doe word ik op een eenvoudige manier in contact gebracht met het
onverklaarbare mysterie. Als dit con-tact door culturele poëzie bewerkstelligd
wordt komt er een dramatische factor bij. In poëzie reflecteert het individu
vanuit een aardse per-ceptie het eigen leven. Een individueel moment. Dat altijd
dramatisch is. Een moment dat verbonden is met het begin en met het einde van
dat leven. De kwintessens is niet de specifieke omstandigheid van dit of dat
individuele drama, maar het feit van een individueel drama. Of het individuele
drama er voelbaar in is. Zo'n artistieke expressie kan bij wie ermee in
aanraking komt vreugde teweegbrengen. Of is troostend. Door het lot van een
ander tegen te komen in poëzie kun je voeling krijgen met je eigen levensloop.
Je het aardappelkoken eigen maken is wat anders dan
je kennis eigen maken. Zoals iedere mani-festatie is kennis een zender. En net
zo min als dat welke vitale manifestatie dan ook door een ander toe te eigenen
is, is welke kennis dan ook te bezitten. Wel kan iedereen er over beschikken.
Staan je antennes eenmaal afgesteld op wat voor jou de juiste golflengtes zijn
dan is het verder een kwestie van de ontvanger bedienen. Niet moeilijk. Maar je
moet er op ingericht zijn.
In mijn inrichting staat daarom het bestaan van Cara
Colette centraal. Mijn ontvanger heeft een klein bereik en voor ik Cara Colette
kende was ik gewend aan veel vage ruis met af en toe een heldere flard. De
antennes van Cara Colette zijn hoger, wijder en van een fijngevoeligere
kwaliteit. Door mij in de nabijheid van Cara Colette te bevinden mag ik
meegenieten, want het gelukbrengende feit doet zich voor dat haar antennes
afgesteld blijken te staan op golf-lengtes die voor mij ook de juiste zijn.
Mijn werk is voor mij een natuurlijke acti-viteit.
Zeker deze kernactiviteit. Wanneer ik in een blanco staat verkeer, heb ik via
mijn natuur contact met de natuur. Door mijn relatie met de natuur word ik
gesterkt. Waardoor ik open kan staan voor de mij omringende cultuur. In de
natuur vind ik bevestigingen van mijn beleving die ik in mijn cultuur zelden
vind. Kom ik in de overlevering een artistieke expressie tegen die ik als
bevestiging van mijn beleving herken, dan is deze vaker wel dan niet afkomstig
uit een culturele orde die niet de mijne is.
Of éen van je inzichten aan de waarheid raakt wordt
met ja beantwoord wanneer je stuit op blijken van een overeenkomstig inzicht.
Expres-sies van medeschepselen, los van periode of geografie.
Dit herhaaldelijk herhalen van zo'n tekst levert een
enorme band op. Tussen ons. Omdat wij ons via deze woorden steeds opnieuw
afstel-len op een golflengte die ons beiden toegang tot kennis geeft. Deze
kennis is dan via zo'n tekst ook beschikbaar voor anderen. Maar natuurlijk
enkel voor diegenen die eveneens in staat zijn op deze golflengte af te
stellen. Logisch.
In de regel erf je pas bij het overlijden van een
verwante. Accepteer je de erfenis niet dan wordt wat nagelaten werd afval. De
natie waar ik een lid van ben typeert zich als éen van de rijke landen. Maar armoede
en rijkdom zijn relatieve begrippen, die individueel betekenis krijgen. Door af
te zien van een groot gedeelte van de erfenis van mijn cultuur ben ik rijker
geworden. Te durven vertrouwen op je ervaringen en je inzichten is rijkdom die
verder reikt.
Geen enkele vorm is definiërend. Ofwel herhaalt zich
tot er sprake is van een blijvende vorm of blijvende wetmatigheid. Niet als het
poëzie is. Zoals ook geen enkel organisme voor honderd procent in kaart te
brengen is en dan te re-produceren. Daar is mijn rijke land dol op. Op reproduceren.
Gefixeerde illusies. Die leiden tot een toename van consumptie en tot een
afname van communicatie. Natuurlijke logica.
In ons labyrint vertoeven. Daar word ik zonder
uitzondering rustig van. Ik besta er zonder klok. Behalve dat ik er niet aan
kan ontkomen af en toe met de slagen van het kerkcarillon mee te tellen. Door
mee te tellen wil ik het getingel dwingen op te houden. Als ik ook maar iets
voor het zeggen zou kunnen krijgen met betrekking tot de algemene orde zou ik
dat gebruik meteen afschaffen. Maar dit zit er voor iemand als ik niet in. Iets
voor het zeggen kunnen krijgen met betrekking tot de algemene orde. Mijn soort
sensibiliteit is ver in de minderheid.
Hoewel niets in mij deel is van een meerderheid
vertrouw ik er op dat, sec door het feit dat ik leef, ik op mijn beurt invloed
uitoefen op de condities waarin ik verkeer. In de aardse werkelijkheid ook ja.
Maar vooral de metacon-dities. De duurzame werkelijkheidssferen. Ik voel niet de
behoefte die invloed uit te willen pluizen. Net als dat ik de invloed van een
ander op mij zonder meer accepteer. Dát die ander invloed heeft op mij. En dat
dit vaker wel dan niet invloeden zijn die door mij als onaangenaam ervaren
worden is in mijn geval logisch.
In de stilte van ons labyrint voel ik mij beschermd
tegen de uithollende werking van deze sluipinvloeden. En het is enkel Cara
Colette die vertrouwd is met de absolute concentratie die ik hier kan bereiken.
Dit heeft weinig met uitzonderlijk geluk te maken.
Het is waar ik periodiek levensnoodzake-lijk behoefte aan heb. Een andere reden
waarom ik mij in ons labyrint veilig voel, is omdat ik mij er verzekerd voel
van de continuïteit van de dingen.
Omdat ik enkel toegang heb tot het labyrint als ik
alle beslommeringen van mij afschudt, kan zo'n verblijf mij inzicht verschaffen
in een persoonlijke problematiek. Bijvoorbeeld. Niet door woorden of beelden,
maar doordat ik getransporteerd wordt. Cara Colette is mijn gids. De begrenzing
die de lineaire tijd stelt valt weg en ik kom terecht in éen van de
metawerkelijkheden. Banden die hier tot stand kwamen en hier ook in stand
werden gehouden. Banden waarvan ik mij niet heb kunnen scheiden, die ik niet in
focus heb kunnen krijgen ondanks dat ik ze als verstikkend ervaar. Zo'n band
kan ik nu verbreken. Op de eerste plaats omdat mij het doel van die band helder
wordt, doordat ik nu deze natuurlijke extentie ben. En op de tweede plaats
omdat ik ongegeneerd uiting kan geven aan de onbepaalde onlustgevoelens die met
dit verbreken gepaard gaan; kreunen, kronkelen, spugen, gapen, snotteren,
enzoverder.
In de ultieme betekenis wordt de uitspraak 'ik ben'
gesproken vanuit het geheugen. Ik en ben worden uit elkaar gehaald. Terwijl in
het uiteindelijke zijn ik en ben samenvallen. Want het kan ook voorkomen dat ik
getransporteerd wordt naar een toestand waar iedere structuur verdwenen is. Ook
weer onder leiding van Cara Colette. De concentratie van Cara Colette is zonder
enig hiaat. Een aanwezigheid met een continue kwaliteit die mij geankerd houdt.
Wij worden éen organisme, éen anoniem leven. Op-genomen in de tijd en in de
ruimte. En aan de uiterste rand van het stoffelijke. Aan de rand van de
uiterste werkelijkheid. En hier wisselen vormloos en vorm van positie. En ook
wisselen hier inhoudsloos en inhoud van positie. Zodat de grenzen tussen vorm
en inhoud vervagen. De verbeelding stopt. Het beeld verdwijnt. Terwijl de zintuigen
blijven functioneren. Totale samenhang. Zo'n sessie eindigen wij meestal
doordat ik met een lied Cara Colette bedank. En door zo'n lied krijgen wij weer
los van elkaar onze individualiteit bevestigd. En wij worden weer twee.
Hoe ik het dan ervaar is, dat intimiteit met de
natuur overweldigend is.
Ja, te kunnen bestaan binnen het labyrint van de
hondse stilte is waar ik periodiek levens-noodzakelijk behoefte aan heb. En nee,
vol-ledige beelden vervelen mij niet.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten